De mantelzorger op de werkvloer die nergens in het verzuimdossier staat

Een medewerker meldt zich voor de derde keer dit kwartaal kort ziek. Geen aanleiding in het functioneren, geen conflict met een collega, geen signaal in de RI&E. Wat niet in het dossier staat: twee avonden per week naar een ouder in een verpleeghuis, een telefoon die 's nachts kan gaan, en een hoofd dat allang niet meer alleen bij het werk is. Mantelzorg is in de meeste organisaties onzichtbaar, en toch is het een van de snelst groeiende risicofactoren voor verzuim.
Het aandeel Nederlanders dat mantelzorg verleent, steeg van 33 procent in 2014 naar 39 procent in 2024: ruim 5,5 miljoen mensen (SCP, 2026). Steeds vaker zijn het mannen, ouderen en werkenden die deze zorg op zich nemen, blijkt uit het SCP-onderzoek Mantelzorg in Beweging. De kloof tussen mannen en vrouwen wordt kleiner, maar de druk op de groep als geheel neemt toe. Vergrijzing, personeelstekorten in de zorg en beleid dat ouderen langer zelfstandig laat wonen, zorgen ervoor dat die druk de komende jaren verder zal stijgen (SCP, 2026).
Wat opvalt in het SCP-onderzoek is dat ernstige belasting niet alleen bij oudere mantelzorgers toeneemt. Ook onder achttien tot vierendertigjarigen groeit het aandeel dat zich zwaarbelast voelt, een leeftijdsgroep die al sinds de coronaperiode meer druk ervaart (SCP, 2026). Dat is relevant voor HR: dit is dezelfde groep die organisaties willen behouden voor de lange termijn, en die nu al tekenen van overbelasting vertoont ruim voordat verzuim zichtbaar wordt.
Waarom het verzuimrisico zo hard stijgt
Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2015, gebaseerd op de ontwikkeling van mantelzorgers tussen 2004 en 2012, liet al zien hoe sterk de samenhang is tussen mantelzorg en uitval. Voordat werkenden met mantelzorg begonnen, was 10 procent van hen minstens twee weken achtereen ziek geweest in een jaar (SCP, 2015). Na de start van de zorg steeg dat naar 18 procent (SCP, 2015). Bij mantelzorgers die de zorg al minstens twee jaar volhielden, groeide het aandeel langdurig verzuim van 11 naar 24 procent (SCP, 2015). De onderzoekers wezen niet op een plotselinge gezondheidsklap, maar op een geleidelijke uitputting: de zorgsituatie zelf is belastend, de combinatie met werk eist tijd, en de vrije tijd die overblijft om te herstellen krimpt.
Dat beeld sluit aan op het algemene verzuimniveau in Nederland. In het tweede kwartaal van 2026 lag het gemiddelde verzuimpercentage op 5,4 procent (CBS, 2026). Mantelzorg is in die cijfers niet als aparte categorie terug te vinden, simpelweg omdat vrijwel geen organisatie dit kenmerk apart registreert. Het risico blijft daardoor onder de oppervlakte van de reguliere verzuimrapportage, terwijl het volgens de onderzoekers van het SCP wel degelijk een van de grotere individuele risicofactoren is die ze konden onderscheiden.
Dat mechanisme verklaart waarom mantelzorg in de reguliere verzuimregistratie zo makkelijk gemist wordt. Een medewerker meldt zich ziek met een griepje, een rugklacht of oververmoeidheid, en dat is ook feitelijk waar hij ziek van is. De onderliggende oorzaak, een partner, kind of ouder die zorg nodig heeft, komt in geen enkel systeem terecht omdat niemand ernaar vraagt. Verzuim wordt zo behandeld als een reeks losse incidenten, terwijl het patroon een andere herkomst heeft.
Wat de RI&E en het verzuimgesprek missen
De risico-inventarisatie en -evaluatie richt zich van oudsher op wat er binnen de muren van de organisatie gebeurt: werkdruk, fysieke belasting, ongewenst gedrag. Mantelzorg speelt zich per definitie buiten die muren af, en daardoor valt het buiten het standaardkader. Toch is de impact op inzetbaarheid net zo reëel als bij elk ander psychosociaal risico dat wel wordt meegenomen.
Hetzelfde geldt voor het verzuimgesprek. Een bedrijfsarts of leidinggevende die vraagt naar de klacht van de dag, mist de vraag die er echt toe doet: wat gebeurt er in het leven van deze medewerker buiten het werk, en welke rol speelt dat in de belastbaarheid? Zonder die vraag blijft de aanpak symptomatisch: een griepje wordt behandeld als een griepje, terwijl de werkelijke oorzaak van herhaald kortdurend verzuim ongezien blijft groeien.
Organisaties die hun medewerkersonderzoek, verzuimanalyse en RI&E consequent los van elkaar organiseren, missen precies dit soort verbanden. Wie wel structureel en periodiek meet hoe medewerkers de combinatie van werk en privé beleven en of de belasting toeneemt, ziet een signaal eerder dan de ziekmelding. Dat vraagt niet om een nieuw vragenlijstje over mantelzorg specifiek, maar om een meetstructuur die werk en privébelasting als één geheel beschouwt in plaats van als gescheiden werelden.
Van onwetendheid naar regie
De Sociaal-Economische Raad concludeerde dit jaar dat werkgevers vaak welwillend zijn tegenover werkende mantelzorgers, maar dat kennis over de omvang en de signalen ontbreekt. Dat is een herkenbaar patroon: beleid op papier, zonder dat leidinggevenden weten wanneer en hoe ze het gesprek moeten voeren. Een verlofregeling helpt pas als iemand weet dat hij of zij er recht op heeft, en een leidinggevende herkent overbelasting alleen als hij getraind is om de signalen te zien, niet als symptoom maar als patroon.
Dat begint bij iets fundamenteels: regelmatig en structureel meten hoe het werkelijk gaat met medewerkers, niet alleen op het werk maar ook in de balans tussen werk en de rest van het leven. Een eenmalig medewerkersonderzoek per jaar vangt dit soort geleidelijke uitputting slecht, simpelweg omdat de situatie van een mantelzorger in april heel anders kan zijn dan in november. Kortcyclisch meten geeft organisaties de kans om bij te sturen voordat verzuim onvermijdelijk wordt.
Klaar om resultaten te behalen?
Plan vrijblijvend een demo en zie wat NEVWARE voor jouw organisatie kan betekenen.
Plan een demoBlijf op de hoogte
Ontvang de nieuwste inzichten over vitaliteit en HR-analytics in je inbox.
